Brein versus usenet gaat naar de Hoge Raad

Brein versus usenet gaat naar de Hoge RaadOp 6 december van het vorig jaar kwam er eindelijk een einde aan het langslepend hoger beroep dat (ex) usenetprovider News-Service Europe (NSE) in 2011 tegen Stichting Brein (Brein) had ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam oordeelde met overtuiging in het voordeel van NSE en vernietigde het voor NSE desastreuze vonnis van de rechtbank. Inmiddels heeft Brein cassatie ingesteld bij de Hoge Raad.

Het hof heeft NSE wel een verplichting opgelegd om een effectieve Notice-and-Takedown (NTD) procedure aan te bieden op het moment dat zij ervoor zou kiezen om haar dienstenverlening weer te hervatten. Dat gebod is overbodig omdat NSE al vanaf 2009 een goed functionerende NTD-procedure aanbood. Het hof heeft in het eerste tussenarrest bevestigd dat NSE’s NTD-procedure voldeed aan alle wettelijke eisen en bovendien voldoende efficiënt was.

Hoewel NSE dus al jarenlang een efficiënte NTD-procedure aanbood, riep Brein zichzelf kort na het arrest uit als de ‘morele winnaar’ en beschouwde ze de uitspraak als een ‘belangrijke overwinning’. Met het ‘NTD arrest’ in de hand zou Brein de piraterij op usenet eindelijk aan kunnen pakken en een einde maken aan ‘illegaal usenet’, aldus Tim Kuik, directeur van Brein.

En toch heeft Brein gemeend om niet nu eindelijk eens de handen uit de mouwen te steken door de door Brein bejubelde NTD-procedure daadwerkelijk te gaan gebruiken, maar heeft zij in plaats daarvan ervoor gekozen eindeloos door te blijven procederen tegen een partij die al ruim vijf jaar niet meer actief is.

Kan Brein dan nu niets doen aan het inbreukmakende materiaal op usenet?
Zeker wel! Zoals Tim Kuik zelf al zei, kan met dit arrest in de hand elke usenetprovider die nog geen NTD-procedure aanbiedt (ik ken ze overigens niet) gedwongen worden om deze alsnog te implementeren. Hiermee kan Brein, eventueel in samenwerking met piraterijbestrijders uit andere landen, illegale content van usenet verwijderen. Dat is zeer effectief, omdat met één (vaak automatisch gegenereerd) NTD-verzoek een inbreukmakend werk in één keer van het gehele usenet kan worden verwijderd. Deze techniek wordt in de Verenigde Staten op grote schaal met succes toegepast.

Brein is overigens zeer bedreven in het versturen van NTD-verzoeken. Dat blijkt uit haar meest recente jaarverslag waar Brein met trots vermeldt dat zij in 2016 ruim 2,5 miljoen zoekresultaten bij Google heeft verwijderd en daarmee hoog staat in de internationale ranking van melders.

Daarnaast is gebleken dat Brein prima in staat is om uploaders van inbreukmakend materiaal op usenet te identificeren en aan te spreken. Uit het eerdergenoemde jaaroverzicht blijkt dat Brein zeer regelmatig door haar geïdentificeerde uploaders tot stoppen weet te dwingen en hoge schikkingen met hen treft.

Brein beschikt dus al over de benodigde middelen om op effectieve wijze piraterij op usenet aan te pakken, maar ze verkiest het voeren van ellenlange niet-effectieve juridische procedures boven het daadwerkelijk bestrijden van het illegale aanbod.

Overigens staat NSE niet alleen in haar strijd tegen anti-piraterij organisaties die de juridische realiteit maar niet kunnen accepteren. In de Verenigde Staten werd usenetprovider Giganews voor de rechter gesleept door copyright troll Perfect 10. Perfect 10 was van mening dat Giganews inbreuk maakte op haar auteursrechten. De rechter was het daar niet mee eens en oordeelde dat Giganews niet aansprakelijk is voor inbreuken op het auteursrecht. Deze uitspraak is geheel in lijn met het door Brein bestreden arrest van het hof Amsterdam. De Amerikaanse rechter veroordeelde Perfect 10 bovendien tot betaling van maar liefst 5,6 miljoen dollar aan proceskosten. In hoger beroep werd deze uitspraak onlangs bevestigd.

En toch blijft Brein in haar eigen ongelijk geloven. Alle oude drogredenen worden weer afgestoft en nieuw leven ingeblazen. De argumenten die Brein in de media bezigt zijn zo onzinnig en zo evident onjuist, dat we ze maar laten voor wat het is en met vertrouwen het oordeel aan de Hoge Raad overlaten.

Afbeelding: Zetel van de Hoge Raad aan het Korte Voorhout in Den Haag (bron: Wikimedia Commons)

De rechtspositie van de internetgebruiker in het Lycos/Pessers-tijdperk

Lycos/Pessers zaakIn mijn vorige blog vertelde ik al dat het eerste semester van de master Informatierecht werd afgesloten met het schrijven van een paper. De titel van deze blog is tevens de titel van mijn paper. Deze blog bevat een korte samenvatting van mijn paper, die met een mooie 8 is beoordeeld.

Om iemand te kunnen aanspreken op het schenden van bijvoorbeeld auteursrechten, zal die persoon eerst moeten worden geïdentificeerd. Afhankelijk van de gegevens waarover een (auteurs)rechthebbende beschikt, is daarvoor de medewerking van één of meer providers benodigd. Een provider is bijvoorbeeld je internetprovider, je usenetprovider, of een platform zoals Facebook of YouTube.

In de bekende wraakporno zaak waarbij Chantal probeerde te achterhalen wie een intiem filmpje van haar op Facebook heeft geplaatst, werd bijvoorbeeld eerst Facebook aangesproken om het IP-adres te achterhalen waarmee het filmpje is geplaatst, om vervolgens van de desbetreffende internetprovider de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van de gebruiker van dat IP-adres te vorderen.

In Nederland heeft de wetgever het aan de rechtelijke macht overgelaten om te bepalen onder welke voorwaarden een provider de NAW-gegevens van een abonnee dient te verstrekken. Bepalend is het Lycos/Pessers arrest uit 2004.

Deze zaak ging over postzegelverzamelaar Pessers die op eBay postzegels verkocht. Nadat hij op een forum van Lycos anoniem werd beschuldigd van fraude, spande hij een kort geding aan om achter de identiteit van de persoon achter de beschuldigingen te komen. Het Gerechtshof Amsterdam bepaalde de voorwaarden wanneer een provider aan het verzoek tot verstrekking van NAW-gegevens dient te voldoen. De Hoge Raad heeft deze uitspraak in 2005 bevestigd.

De Lycos/Pessers-leer houdt in dat een provider de gegevens van haar klant dient te verstrekken, indien de volgende omstandigheden zich voordoen:

  1. de mogelijkheid dat de informatie, op zichzelf beschouwd, jegens de derde (bijvoorbeeld een auteursrechthebbende) onrechtmatig en schadelijk is, is voldoende aannemelijk;
  2. de derde heeft een reëel belang bij de verkrijging van de NAW-gegevens;
  3. aannemelijk is dat er in het concrete geval geen minder ingrijpende mogelijkheid bestaat om de NAW-gegevens te achterhalen;
  4. afweging van de betrokken belangen van de derde, de provider en de internetgebruiker (voor zover kenbaar) brengt mee dat het belang van de derde behoort te prevaleren.

Het grote bezwaar van de Lycos/Pessers-leer is dat van providers wordt verwacht dat zij zelf verzoeken om NAW-gegevens toetsen en dat zij daarbij een belangenafweging moeten maken. Daarbij spelen de belangen van de rechthebbende, van de vermeende inbreukmaker (de internetgebruiker) en van de provider zelf een rol. De provider wordt kortom gedwongen om op de stoel van de rechter te gaan zitten.

Providers komen hiermee in een onmogelijke positie te verkeren. Indien een provider van mening is dat de belangen van de internetgebruiker prevaleren boven die van de auteursrechthebbende en de rechter besluit achteraf anders, dan heeft de provider onrechtmatig gehandeld jegens de auteursrechthebbende en kan hij daarvoor aansprakelijk worden gesteld. Indien een provider echter te snel overgaat tot het verstrekken van NAW-gegevens, loopt hij het risico om aansprakelijk te worden gesteld door de internetgebruiker wegens schending van zijn privacy.

Omdat providers uit angst voor een slechte reputatie liever geen persoonsgegevens verstrekken, weigeren zij meestal om vrijwillig aan het verzoek te voldoen. De rechthebbende wordt daarmee gedwongen om een procedure (meestal een kort geding) te starten. In deze procedure tussen provider en de verzoeker, wordt vaak over de rug van de internetgebruiker beslist of zijn persoonsgegevens zullen worden verstrekt en zijn privacy zal worden geschonden. Slechts een enkele keer wordt de internetgebruiker in de gelegenheid gesteld om (anoniem) zijn verhaal te doen. Afhankelijk van het soort gegevens kan het niet horen van de internetgebruiker in strijd zijn met de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Omdat rechters steeds vaker providers verwijten dat zij niet vrijwillig zijn overgegaan tot verstrekking van NAW-gegevens, wordt de druk op providers om zonder tussenkomst van de rechter NAW-gegevens te verstrekken steeds groter. Een provider handelt immers onrechtmatig indien een rechter achteraf besluit dat de provider wel tot verstrekking van NAW-gegevens had moeten overgaan. Mijn paper sluit af met de conclusie dat deze gang van zaken een bedreiging vormt voor de rechtspositie van de internetgebruikers wier persoonsgegevens worden gevorderd.

Voor de liefhebber is mijn paper hieronder in z’n geheel te lezen.

Afbeelding: De eiser in Lycos/Pessers was een postzegelverzamelaar (flickr)

Master Informatierecht: het eerste semester

master informatierecht

Het is alweer een flinke tijd geleden dat ik een blog heb geschreven over de voortgang van mijn studie. Ik pak de draad weer op. Na het behalen van mijn bachelor en na door de selectieprocedure te zijn gekomen, mocht ik begin september 2016 beginnen aan de master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam.

Het eerste semester bestaat uit twee verplichte basisvakken: Informatierecht en Intellectuele Eigendom en wordt afgesloten met het schrijven van een paper op het gebied van Informatierecht of Intellectuele eigendom. Beide basisvakken werden eind oktober en eind december getentamineerd.

In het basisvak Intellectueel Eigendom worden de verschillende intellectuele eigendomsrechten behandeld, zoals het auteursrecht, de naburige rechten, het databankenrecht, het merkenrecht, het octrooirecht en het modellenrecht. Omdat veel onderdelen van deze rechtsgebieden binnen de EU zijn geharmoniseerd is er veel aandacht voor Europese richtlijnen en verordeningen. Daarnaast wordt een flink aantal uitspraken van de hoogste rechterlijke instelling van de EU, het Europese Hof van Justitie behandeld. Het intellectueel eigendomsrecht is mede door de digitalisering en het internet een zeer dynamisch rechtsgebied. Veel Europese richtlijnen en verordeningen zijn recent herzien, zitten in een overgangsfase of worden binnenkort herzien, wat de materie extra complex maakt.

Het andere basisvak, Informatierecht, behandelt een breed rechtsgebied. Vrijheid van meningsuiting, privacy en de bijzondere positie van de media en pers spelen een hoofdrol. Ook was er veel aandacht voor de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) die in 2018 de Wbp zal gaan vervangen. Er is een speciale rol weggelegd voor het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en heel veel jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

Ook de aansprakelijkheid van internet tussenpersonen, een voor mij niet onbekend terrein, werd uitvoerig behandeld. Het was heel bijzonder om te constateren dat mijn rechtszaak tegen Stichting Brein verplichte jurisprudentie heeft opgeleverd. Het eerste tussenarrest, waarin het Gerechtshof van Amsterdam besloot dat een usenetprovider als een internet tussenpersoon een beroep op de uitsluiting van aansprakelijkheid toekomt, werd tijdens één van werkgroepen behandeld.

Een van de aantrekkelijke aspecten van de master Informatierecht is dat de colleges voor een groot deel worden verzorgd door medewerkers van het Instituut voor Informatierecht (IViR), een van de meest vooraanstaande onderzoeksinstituten ter wereld op het gebied van informatierecht. Deze docenten vertellen met veel passie en enthousiasme over hun eigen rechtsgebied. Zo werd het college over de aansprakelijkheid van internet tussenpersonen gegeven door mijn eigen advocaat.

Ik heb beide vakken als zeer pittig ervaren. Ik moest ook erg wennen aan de manier van werken bij de Universiteit van Amsterdam. Bij de Open Universiteit kreeg ik een stapel studiemateriaal en een datum voor het tentamen en kon ik mijn eigen gang gaan. De master Informatierecht is door de wekelijkse werkgroepen veel interactiever en je werkt elke week naar de colleges van de volgende week toe. Gelukkig heb ik beide vakken succesvol afgerond en hoef ik geen hertentamen te doen.

Zoals gezegd werd het semester afgesloten met het schrijven van een paper. Mijn paper gaat over de handhaving van intellectueel eigendomsrechten en dan met name over de rechtspositie van een vermeend inbreukmaker wiens persoonsgegevens worden opgevraagd bij bijvoorbeeld zijn internetprovider. Ik ben nog in afwachting van de beoordeling.

Inmiddels is het tweede semester alweer begonnen. Dit semester bestaat uit een aantal keuzevakken en het schrijven van de eindscriptie. Meer hierover in een volgende blog.

Afbeelding: De Kloveniersburgwal. Onderweg naar de Oudemanhuispoort voor het tentamen Informatierecht op 22 december 2016.

Usenetprovider NSE wint hoger beroep van Stichting BREIN

Persbericht Amsterdam, 6 december 2016 – Het Gerechtshof Amsterdam heeft vandaag het vonnis van de Rechtbank Amsterdam vernietigd in de rechtszaak die piraterij-bestrijder Stichting BREIN in 2009 heeft aangespannen tegen usenetprovider News-Service Europe B.V. (NSE). Het hoger beroep is hiermee door NSE gewonnen.

Het hof heeft beslist dat NSE geen inbreuk maakte op auteursrechten, dat het als tussenpersoon ook niet aansprakelijk is voor de inbreuken die anderen op haar platform maakten en dat NSE niet onrechtmatig heeft gehandeld. Bovendien is het filter dat de rechtbank in 2011 aan NSE heeft opgelegd in strijd met Europese wetgeving (artikel 15 van de Richtlijn inzake elektronische handel). Dit artikel bepaalt dat een tussenpersoon niet kan worden verplicht om algemeen toezicht te houden.

Patrick Schreurs, voormalig CEO: “Eindelijk gerechtigheid! Het was eind 2011 voor vriend en vijand duidelijk dat het vonnis van de rechtbank geen stand kon houden. Toch heeft Stichting BREIN de uitkomst van het door NSE ingestelde hoger beroep niet willen afwachten, met als gevolg dat een succesvol Nederlands bedrijf haar activiteiten onnodig heeft moeten staken. Dat doet nog steeds veel pijn. Maar na een slepend hoger beroep, dat ruim vijf jaar heeft geduurd, heeft het hof nu eindelijk geoordeeld dat wij al die tijd het gelijk aan onze kant hebben gehad.”

Het hof gebiedt NSE nog wel om een effectieve notice-and-takedown-procedure (NTD-procedure) in te voeren. Met behulp van een NTD-procedure kan een provider gewezen worden op de aanwezigheid van onrechtmatig materiaal op haar platform, zodat hierop actie kan worden ondernomen en het bestreden materiaal indien nodig kan worden verwijderen. Het initiatief bij deze procedure ligt, in lijn met het eerder genoemd verbod op algemeen toezicht, niet bij de provider, maar bij melder.

Het gebod is opvallend, omdat NSE al voorafgaand aan de juridische procedure een effectieve NTD-procedure aanbood. Het hof heeft in een eerder tussenarrest weersproken dat NSE’s NTD-procedure niet effectief zou zijn. Het aanbieden van een effectieve NTD-procedure is bovendien een van de voorwaarden om als tussenpersoon een succesvol beroep te kunnen doen op uitsluiting aan aansprakelijkheid (art. 6:196c lid 4 BW). Aangezien het hof heeft geoordeeld dat NSE aan alle voorwaarden voldeed, heeft het hof daarmee NSE’s NTD-procedure als voldoende effectief bestempeld. Het gebod van het hof lijkt daarmee niet meer te zijn dan een doekje voor het bloeden.

Wierd Bonthuis, voormalig CFO over de uitspraak: “Ik ben zeer tevreden met het winnen van het hoger beroep in dit geschil tussen ons bedrijf en Stichting BREIN. Indien deze uitspraak ook de uitspraak van de rechtbank zou zijn geweest, zou NSE geen enkele reden hebben gehad om haar bedrijfsactiviteiten te staken. Dat werd echter onvermijdelijk toen BREIN, ondanks een door ons aangespannen executiegeschil, besloot het vonnis te betekenen en NSE met de schade achterliet.”

Over usenetproviders
De rol van een usenetprovider is vergelijkbaar met een internetprovider of een e-mailprovider. Een usenetprovider stelt usenetgebruikers in staat berichten te plaatsen in de openbare nieuwsgroepen en zorgt ervoor dat deze berichten voor het gehele usenet beschikbaar komen. Dergelijke neutrale tussenpersonen bieden toegang tot een technologisch platform zonder bemoeienis met hetgeen door de gebruikers wordt geplaatst.

Voorgeschiedenis
In 2009 start Stichting BREIN een rechtszaak tegen usenetprovider News-Service Europe B.V. BREIN is van mening dat usenetproviders zelfstandig auteursrechtelijk beschermde werken verveelvoudigen en openbaar maken en eist dat News-Service Europe hiermee stopt. De rechtbank stelt BREIN in het gelijk en verbiedt News-Service Europe om langer auteursrechtelijk beschermde werken vast te leggen en ter beschikking te stellen op straffe van een dwangsom van € 50.000 per dag. Dit gebod komt neer op een verstrekkende, preventieve, algemene en 100% waterdichte filterverplichting. Omdat News-Service Europe onmogelijk aan dit onhaalbare gebod kon voldoen, was zij genoodzaakt vanaf 4 november 2011 om 18.00 uur haar activiteiten te staken. Inmiddels was het al hoger beroep al ingesteld.

Over News-Service Europe B.V.
News-Service Europe B.V. (News-Service.com) startte in 1998 en was een succesvolle in Nederland gevestigde usenetprovider met een internationale klantenkring. Eind 2011 werd News-Service Europe gedwongen haar diensten te staken. News-Service Europe leverde enkel toegang tot usenet aan bedrijven, zoals resellers en internetproviders.

Brein versus usenet: Vijf jaar na het vonnis

Rechtbank Amsterdam | Brein versus usenet

Gisteren was het precies vijf jaar geleden dat de rechtbank Amsterdam (foto) in de zaak ‘Brein versus Usenet’ een desastreus en evident onjuist vonnis uitsprak. De rechtbank Amsterdam oordeelde in haar vonnis van 28 september 2011 dat mijn bedrijf, usenetprovider News-Service Europe B.V. (NSE), inbreuk maakte op auteursrechten en onrechtmatig handelde. De rechtbank beveelt dat NSE een filter moet plaatsen die alle binnenkomende usenetartikelen analyseert, teneinde alle artikelen die inbreuk maken op het auteursrecht te blokkeren.

Omdat een filter dat alleen inbreukmakend materiaal tegenhoudt simpelweg niet bestaat en wij geen wonderen kunnen verrichten, zagen wij geen mogelijkheid om aan het vonnis te voldoen. NSE stelt hoger beroep in, maar helaas was eiser Stichting Brein niet bereid om de uitkomst van het hoger beroep af te wachten. Ook een kort geding waarin wij de voorzieningenrechter wezen op de onuitvoerbaarheid van het vonnis mocht niet baten. Brein dwong ons om ons aan het vonnis te houden en gezien de enorme toegewezen dwangsommen van € 50.000,00 per dag zagen we onszelf genoodzaakt om op 4 november 2011 onze bedrijfsuitvoering volledig te staken. Een emotioneel moment.

Het touwtrekken met Stichting Brein begon al op 4 maart 2009 toen we de eerste brief van de anti-piraterijstichting ontvingen. Brein deelde ons mee dat een usenetprovider verplicht zou zijn om maatregelen te treffen tegen auteursrechtinbreuken op usenet. Brein noemde als mogelijke maatregelen het blokkeren van bepaalde nieuwsgroepen en het filteren van inbreukmakende titels.

In het gesprek dat daarop volgde bleek het Stichting Brein vooral te doen om een Notice & Takedown-procedure. Middels een Notice & Takedown-procedure kan een provider worden gewezen op de aanwezigheid van illegale content op haar platform (‘notice’), waardoor de provider deze kan evalueren en indien nodig verwijderen (‘takedown’). Hoewel wij tijdens het gesprek terughoudend waren over het aanbieden van een dergelijke procedure, besloten we kort na het gesprek toch tot implementatie van een Notice & Takedown-procedure over te gaan.

Omdat er in Nederland nog geen enkele usenetprovider een Notice & Takedown-procedure aanbood, waren we genoodzaakt om zelf een procedure te ontwikkelen. Wij ontwikkelden samen met specialisten van het advocatenkantoor Kennedy Van der Laan een Notice & takedown-procedure die is gebaseerd op de ‘Gedragscode Notice-and-Takedown‘. Deze gedragscode is samen met de overheid, het bedrijfsleven en belangenverenigingen (waaronder Stichting Brein!) tot stand gekomen. De door ons ontwikkelde procedure was echter afgestemd op de werking van usenet en was bovendien laagdrempeliger dan de gedragscode.

Een maand later is onze Notice & Takedown-procedure gereed en hebben we onze branchegenoten aangeboden om de procedure kosteloos van ons over te nemen. Een aantal usenetproviders heeft dit ook daadwerkelijk gedaan.

Tot onze verrassing laat Stichting Brein ons vervolgens weten dat de door ons ingevoerde Notice & takedown-procedure plotseling “niet volstaat”. Helaas ontbreekt iedere toelichting. Wij verzoeken Brein om haar bezwaren kenbaar te maken en aan te geven hoe wij onze procedure kunnen verbeteren. In plaats van de dialoog aan te gaan besluit Brein echter om nog diezelfde maand NSE te dagvaarden.

Lopende de procedure bij de rechtbank besluiten we om rechthebbenden verder tegemoet te komen door een zogenaamde Fast Track Notice & takedown-procedure aan te bieden. Hiermee geven we rechthebbenden de mogelijkheid om zonder onze tussenkomst inbreukmakend materiaal direct en zonder vertraging van ons platform te verwijderen. Een dergelijk systeem was op dat moment uniek in de wereld. Het gesprek met Stichting Brein dat naar aanleiding van dit initiatief tot stand kwam, werd ook weer om volstrekt onduidelijke redenen door Brein afgebroken.

Een van de geschilpunten reeds voorafgaand aan de juridische procedure was of NSE als usenetprovider een beroep toekomt op artikel 196c van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (artikel 6:196c BW). Dit artikel bepaalt dat tussenpersonen op internet niet aansprakelijk kunnen worden gehouden voor het handelen van haar gebruikers. Dankzij dit artikel hoeft bijvoorbeeld Marktplaats niet bang te zijn om aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor het handelen van haar gebruikers. Toen wij dit onderwerp tijdens het eerste gesprek met Brein ter tafel brachten, werden we uitbundig uitgelachen. Natuurlijk kan NSE zich niet niet op artikel 6:196c BW beroepen, aldus Brein.

Inmiddels weten we gelukkig wel beter. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een tussenarrest nadrukkelijk bepaald dat NSE wel degelijk een beroep toekomt op artikel 6:196c BW. Het gevolg daarvan is dat NSE niet aansprakelijk is voor het inbreukmakende materiaal dat usenetgebruikers op haar platform plaatsten. Bovendien heeft het hof geoordeeld dat NSE niet onrechtmatig heeft gehandeld en dat het door de rechtbank oplegde bevel om te gaan filteren te ver gaat en in strijd is met Europese regelgeving (artikel 15 van de Richtlijn inzake elektronische handel).

Hoewel het hoger beroep nog altijd niet is afgerond, heeft het hof inmiddels wel alle vorderingen van Stichting Brein afgewezen. We zijn dus een flink eind op de goede weg. De huidige stand van zaken geeft ons vertrouwen in een positieve afloop. Daarom hebben we vorige week Brein per brief laten weten dat we Brein aansprakelijk houden voor de door ons geleden en nog te lijden schade.

Op 11 oktober 2016 staan we weer ‘op de rol’ en zou het eindarrest kunnen worden gewezen. Ik zeg ‘zou kunnen’, want er bestaat ook een kans dat het hof in een derde tussenarrest partijen om nog meer informatie zal gaan vragen. Natuurlijk bestaat ook de kans dat er helemaal geen arrest wordt gewezen en de zaak wederom wordt aangehouden. Ik blijf er in ieder geval niet meer voor thuis, want ik heb op dinsdag college.

Afbeelding: Rechtbank Amsterdam (flickr)

Zomerproject: Cybercrime

Malware | Cybercrime
Deze zomer houd ik mij bezig met cybercrime. Omdat ik eind juni mijn bachelor afrondde en de master Informatierecht pas in september begint, heb ik de zomermaanden de tijd om iets te gaan doen wat ik leuk of nuttig vind. Een tussendoortje dus, want stilzitten is niet echt mijn ding.

Al eerder viel mijn oog op het vak ‘Strafrechtspleging in de gedigitaliseerde samenleving‘. Dit vak is onderdeel van de master Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit. Omdat cybercrime geen onderdeel is van de master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en dit vak natuurlijk alles te maken heeft met het internet, leek dit vak me een mooie aanvulling op mijn master. Zodoende is cybercrime mijn zomerbesteding geworden.

Het vak behandelt de gevolgen die de digitalisering van de samenleving heeft op het strafrecht. De Wet Computercriminaliteit I en II hebben verschillende strafbare feiten aan het Wetboek van Strafrecht toegevoegd ter bestrijding van cybercrime. Denk daarbij aan het verbod op computervredebreuk (hacken), het vernielen van computergegevens, toegang belemmeren (DDoS-aanvallen), grooming en nog veel meer. Deze delicten komen veelvuldig voor. Wist je bijvoorbeeld dat hacken tegenwoordig vaker voorkomt dan fietsendiefstal?

Ook internationale verdragen en EU-richtlijnen komen aan bod. Zo is er het Cybercrimeverdrag dat dient zorg te dragen voor een gemeenschappelijk strafrechtelijk beleid op het gebied van cybercrime en voor een betere internationale samenwerking. Of het Verdrag van Lanzarote dat dient ter bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik.

Op dit moment is de Wet Computercriminaliteit III bij de Tweede Kamer in behandeling. Deze wet zou justitie de mogelijkheid geven om in de computer van een verdachte in te breken. Deze nieuwe bevoegdheid stuit op veel kritiek en daarom wordt deze wet ook wel de ‘terughackwet’ genoemd. De kritiek bestaat voornamelijk uit privacybezwaren, maar ook de mogelijkheid om door in de computer van een verdachte in te breken bewijsmateriaal te manipuleren of zelfs te plaatsen is een zorg.

Daarnaast bevat het wetsvoorstel de mogelijkheid om een verdachte bij bepaalde misdrijven te verplichten om een wachtwoord af te geven. Het gebruik van encryptie door criminelen maakt het vaak erg moeilijk om bewijs te vinden voor bijvoorbeeld het in bezit hebben van kinderporno. Echter, een verdachte verplichten om mee te werken aan zijn eigen veroordeling is in strijd met het principiële, strafrechtelijke Nemo- teneturbeginsel. Ik ben benieuwd naar de afloop van deze discussies.

Het vak is een stuk minder juridische dan ik had verwacht. Er wordt maar weinig jurisprudentie behandeld en dat vind ik een gemiste kans. Er liggen voldoende interessante uitspraken die het behandelen waard zijn. De zaken Habbo en RuneScape, waarin wordt geoordeeld dat ook virtuele goederen in een online computerspel vatbaar zijn voor diefstal, zijn nagenoeg de enige uitspraken die wel aan bod komen. Mijns inziens besteed het vak te veel aandacht aan criminologie, sociologie en ethiek.

Ik heb nu nog enkele dagen om mij voor te bereiden op het tentamen van 17 augustus. Inmiddels heb ik mijn bachelordiploma van de Open Universiteit ontvangen en heb ik een kopie doorgestuurd naar de Universiteit van Amsterdam. Het wachten is nu op mijn definitieve inschrijving. Het eerste hoorcollege staat gepland op 6 september 2016.

Update 23 september 2016: De uitslag van het tentamen is eindelijk binnen: een 8!

Afbeelding: flickr

Bachelor of Laws (LL.B.) in Rechtsgeleerdheid

Integratiepracticum | Bachelor of LawsAfgelopen vrijdag was het dan zover: de openbare slotbijeenkomst aan de campus van de Open Universiteit in Heerlen (Zuid-Limburg) ter afsluiting van het Integratiepracticum en van mijn bachelor Rechtsgeleerdheid.

Ik moest voor de bestuurskamer van de rechtbank een pleidooi houden namens mijn cliënt die werd gekort op zijn bijstandsuitkering. Mijn cliënt zou zich namelijk bij een gesprek met een psycholoog naar het oordeel van het college van B en W zeer ernstig hebben misdragen. Ik had mijn pleitnota goed voorbereid en kreeg vooraf al een compliment voor mijn vindingrijkheid. Een prettige opsteker, want van de strenge blik van één van de rechters werd ik toch wel wat zenuwachtig.

Bestuurskamer | Bachelor of Laws

Mijn wederpartij, een medestudent die het college van B en W vertegenwoordigde, en ik waren aan elkaar gewaagd, waardoor een leuke interactie ontstond tijdens repliek en dupliek.

Aan het einde van een leuke en intensieve dag werden de resultaten bekend gemaakt. Mijn optreden werd beoordeeld met een fijne 8! Na de borrel kon ik moe maar voldaan beginnen aan de reis huiswaarts. Bedankt Heerlen, de vla was heerlijk!

vla | Bachelor of Laws

Aangezien dit mijn laatste vak voor de bachelor was, mag ik mijzelf nu ‘Bachelor of Laws’ noemen en de afkorting LL.B. achter mijn naam zetten. Mag ik mezelf even voorstellen? Mijn naam is: Ing. W.P. Schreurs LL.B.

Maar goed, niet te lang bij stil staan.. snel verder.. Ik heb inmiddels toestemming gekregen om in de zomer nog het mastervak Strafrechtspleging in de gedigitaliseerde samenleving bij de Open Universiteit te mogen doen. Daar ga ik nu meteen aan beginnen. Het tentamen is op 17 augustus 2016. Daarna zal ik de Open Universiteit moeten verlaten om in september aan de master Informatierecht aan de Universiteit van Amsterdam te beginnen.

Zie mijn Status rechtenstudie pagina voor de actuele status van mijn studie.

Mijn definitieve postpropedeuse cijferlijst:
Cijferlijst postpropedeuse Bachelor of Laws

Geselecteerd voor de master Informatierecht

Geselecteerd voor de master Informatierecht

It Giet Oan!! Ik ben geselecteerd voor de master Informatierecht 2016-2017 aan de Universiteit van Amsterdam! Gisteren ontving ik na lang in spanning te hebben gewacht bovenstaande e-mail.

In september 2012 begon ik aan mijn bachelor Rechtsgeleerdheid aan de Open Universiteit met als doel om daarna aan de master Informatierecht te kunnen beginnen. In augustus 2012 schreef ik hierover:

Mijn doel is om uiteindelijk de master Informatierecht te gaan volgen. Maar om tot deze master te worden toegelaten moet ik wel eerst een universitaire bachelor rechten op zak hebben. Of ik dit doel ook ook echt ga halen weet ik niet, maar de eerste stap is in ieder geval gezet. Ik ga nu eerst proberen om de propedeuse te halen.

De propedeuse halen is gelukt en de bachelor zit er ook bijna op. En nu ben ik toegelaten tot de master. En dat is maar goed ook, want een plan B had ik niet.

De master Informatierecht is een ‘selectieve’ opleiding, waarbij een selectie- en toelatingsprocedure geldt. De selectie geschiedt op basis van motivatie, het gemiddelde (eind)cijfer van de bachelorstudie en curriculum vitae. Eind maart heb ik me aangemeld en schreef ik in mijn motivatiebrief waarom juist ik voor deze master in aanmerking zou moeten komen. Dat is me blijkbaar goed afgegaan, want gisteren ontving ik dus het bericht dat ik ben geselecteerd.

Informatierecht is een actueel rechtsgebied dat gaat over alle juridische aspecten van `informatie’. Dankzij de opkomst van het internet speelt informatie in de huidige informatiemaatschappij een cruciale rol. Het is nu makkelijker dan ooit om informatie te delen, te verspreiden en tot je te nemen. Maar er zijn wel grenzen. Informatierecht is een verzamelnaam voor een aantal rechtsgebieden die met informatie van doen hebben.

Zo is er het privacyrecht dat het gebruik van persoonsgegevens beperkt. Het auteursrecht dat gaat over het recht dat de maker van een werk van literatuur, wetenschap of kunst heeft om te kunnen bepalen wat er met zijn werk gebeurt. En het octrooirecht dat gaat over de rechten op een uitvinding. Maar ook vrijheid van meningsuiting, telecommunicatierecht, persrecht en mediarecht zijn onderdelen van het brede rechtsgebied informatierecht.

Vrijwel alle onderdelen van het informatierecht hebben een sterkte affiniteit met het internet en juist dat is de reden waarom mij deze master mij zo aantrekt. Ik heb er erg veel zin in!

Ik stap dus over van de Open Universiteit dat gericht is op afstandsonderwijs, naar een reguliere universiteit, de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat betekent een nieuwe universiteit met nieuwe gewoontes, procedures, medestudenten en… verplichte hoorcolleges! Ik zal daar best even aan moeten wennen.

In de week van 5 september 2016 begint het eerste semester, dat bestaat uit de verplichte vakken Informatierecht en Intellectueel eigendom. Bovendien moet er in het eerste semester een paper op het gebied van een van deze basisvakken worden geschreven. Het tweede semester bestaat uit een aantal keuzevakken en het schrijven van een masterscriptie.

Maar nu eerst nog maar even mijn bachelor afronden…

Brein versus Usenet: volgende zitting op 30 juni

Brein versus Usenet | Paleis van Justitie Amsterdam

Op 8 maart 2016 zat ik met spanning te wachten op het eindarrest in de zaak van het Gerechtshof Amsterdam in mijn hoger beroep tegen piraterij-bestrijder Stichting Brein (klik hier voor de achtergrond van deze rechtszaak). De teleurstelling was groot toen het lange wachten en de vele aanhoudingen niet werden beloond met een eindarrest, maar het wederom om een tussenarrest bleek te gaan.

In het eerste tussenarrest, gewezen op 19 augustus 2014, kwam het hof al tot het oordeel dat usenetprovider News-Service Europe B.V. (NSE) geen inbreuk op het auteursrecht heeft gepleegd en voldeed aan de strikte voorwaarden die de wet aan ‘internettussenpersonen’ stelt, om niet aansprakelijk te kunnen worden gesteld voor de berichten die gebruikers op het internet (in dit geval het usenet) plaatsen (volgens art. 6:196c BW). In het laatste tussenarrest komt het hof tot het oordeel dat NSE bovendien niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het door de rechtbank gewezen vonnis zal derhalve worden vernietigd, aldus het hof.

Ondanks het feit dat het hof inmiddels alle vorderingen van BREIN heeft afgewezen, is het hof van mening dat er ruimte bestaat voor het eventueel opleggen van minder verstrekkende maatregelen. Sinds het eerste tussenarrest is dit het nog resterende onderwerp in het hoger beroep.

Nu wij in onze laatste akte hebben gesteld dat NSE haar activiteiten niet meer zal hervatten, twijfelt het hof of Brein nog wel belang heeft bij voortzetting van de procedure. Het hof gelast om die reden een comparitie van partijen (mondelinge behandeling van de zaak) met als onderwerpen: “het belang dat partijen, met name Brein, bij voortzetting van de procedure hebben, de wijze waarop zij dit geding wensen voort te zetten en de eventuele mogelijkheid van een schikking” (zie tweede tussenarrest ro. 2.9.1).

Dat bekent dat de tweede zitting in het hoger beroep en alweer de vijfde zitting in de gehele Brein versus Usenet procedure zal gaan plaatsvinden. Indien het hof oordeelt dat er wél een belang is bij voortzetting van de procedure, zal er een tweede comparitie volgen waarbij de technische haalbaarheid van een woordfilter (keyword filter) en het blokkeren van nieuwsgroepen zal worden besproken.

Het is ondertussen alweer zeven jaar geleden dat Brein weigerde om samen met ons naar oplossingen te zoeken en ons botweg voor de rechter sleepte. De openbare zitting vindt plaats op 30 juni 2016 om 10.00 uur in het Paleis van Justitie in Amsterdam. Iedereen is welkom om de zitting te komen bijwonen.

Afbeelding: Paleis van Justitie te Amsterdam (via Wikimedia Commons)

Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad

Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad
Gisteren was ik aanwezig bij het Symposium Rechtsvorming door de Hoge Raad dat werd gehouden in de grote zittingszaal van het nieuwe gebouw van de Hoge Raad in Den Haag.

De Hoge Raad der Nederlanden is de hoogste rechter in Nederland op het gebied van het civiele-, straf- en belastingrecht. De Hoge Raad is geen feitenrechter, maar cassatierechter. Een cassatierechter oordeelt of de feitenrechter (meestal het gerechtshof) het recht en de procesregels juist heeft toegepast. De Hoge Raad kan een uitspraak van de feitenrechter vernietigen (casseren), waardoor de feitenrechter de zaak moet overdoen. Kerntaken van de Hoge Raad zijn het bevorderen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling.

In het symposium stond de vraag centraal welke gevolgen de rechtsvormende taak van de Hoge Raad heeft voor de motivering van arresten. Zou de Hoge Raad de achterliggende beleidsargumenten en afwegingen steeds in de motivering van zijn beslissingen moeten vermelden? Wanneer doet hij dit wel en wanneer niet?

Ton Hartlief (hoogleraar privaatrecht, Maastricht; per 1 april 2016 advocaat-generaal) hield een betoog waarin hij zijn stelling verdedigde dat de Hoge Raad zoveel mogelijk zijn gedachtegang om tot een bepaalde uitspraak te komen als motivering in het arrest zou moeten opnemen. Bovendien zou de Hoge Raad moeten motiveren waarom hij van mening is dat hij een bepaalde uitspraak kan en mag doen en waarom. Dit doet de Hoge Raad volgens Hartlief nu alleen in die gevallen wanneer zij van mening is dat zij een bepaalde uitspraak niet kan doen, omdat hij daarmee op de stoel van de wetgever zou gaan zitten.

Ybo Buruma (raadsheer strafkamer) is juist geen voorstander van een omstandige motivering. Volgens Buruma zou bij uitgebreide motivering ook gebruik worden gemaakt van niet of minder accurate argumenten en dat zou volgens hem nu juist de kwaliteit van arresten ondermijnen. Bovendien wordt elk woord van de Hoge Raad op een weegschaal gelegd, wat de houdbaarheid van een uitspraak zou kunnen ondermijnen. Tegenover het zuinig motiveren stelt Buruma de mogelijkheid om uitspraken toe te lichten, bijvoorbeeld door de persraadsheer.

De Hoge Raad wordt bij zijn uitspraken geholpen door een conclusie (advies) van een advocaat-generaal. Ik meen dat het Geert Knigge (advocaat-generaal, strafrecht) was die gekscherend zei dat de advocaat-generaal zijn conclusies uitgebreid motiveert, omdat het zijn doel is om de Hoge Raad te overtuigen van zijn gelijk. De Hoge Raad zelf bedient zich van aanzienlijk minder motivatie, omdat de Hoge Raad niemand hoeft te overtuigen, omdat de Hoge Raad als hoogste rechter in Nederland altijd gelijk heeft.

Maarten Feteris (president van de Hoge Raad) maakte een prachtige metafoor met betrekking tot het al dan niet uitgebreid moeten motiveren van uitspraken: Iedereen herkent wel het beeld van een kind bij de kassa van een supermarkt die de ouder vraagt waarom hij of zij niet een zakje van die onweerstaanbare snoep mag pakken. Terwijl de ene ouder zich beperkt tot de woorden ‘omdat ik het zeg’, start de andere ouder een uitgebreid betoog over tandartsen en wat niet meer zij. Welke ouder straalt nu het meeste gezag uit?

Daar werd dan weer terecht tegenover gezet dat gezag vroeger iets vanzelfsprekends was, maar dat gezag in het huidige tijdperk steeds minder vanzelfsprekend is en verdiend moet worden. Dat gezag kan de Hoge Raad verdienen door goed gemotiveerde arresten te wijzen. En zo is de cirkel weer rond.

Het blijkt dat zowel voor- als tegenstanders van het uitgebreid motiveren van uitspraken sterke argumenten voor hun standpunt hebben. Dineke de Groot (raadsheer civiele kamer) liet desgevraagd ook weten dat dit onderwerp ook daadwerkelijk een onderwerp is waar de Hoge Raad zich mee bezig houdt.

Het was een interessante middag, die werd afgesloten met een borrel. Bij de uitgang werd de die dag verschenen bundel Rechtsvorming door de Hoge Raad uitgereikt. Het symposium was ook meteen een mooie gelegenheid om het prachtige nieuwe gebouw en de indrukwekkende grote zittingszaal (zie foto) van de Hoge Raad te mogen bewonderen. Na afloop heb ik samen met een groep medestudenten van de Open Universiteit nog even lekker nagepraat en gegeten in een in Italiaans restaurant in de buurt.

Afbeelding: Maarten Feteris (president van de Hoge Raad) introduceert het thema.